![]() ![]() |
HET GOEDE LEVEN VAN MEINDERT TALMA 27 september 2008 Van de eigenzinnige muzikant en schrijver Meindert Talma (39) verschijnt in maart 2009 de cd/dvd Tamango. Sinds 1997 bracht hij met zijn begeleidingsband The Negroes zeven albums uit, zowel Fries- als Nederlandstalig. Ook schreef hij twee boeken over onder meer zijn jeugd in Surhuisterveen.
DOEN Toen ik een radio/cassetterecorder kreeg, ik was toen twaalf jaar, ging ik heel fanatiek muziek opnemen. Ik struinde alle radiozenders af. Later kreeg ik nog een oude pick-up van mijn vader. Op mijn zestiende begon ik mijn eerste liedjes te maken. Dat deed ik op een Johannes-orgel, een soort mini-kerkorgel, die mijn ouders hadden gekocht voor mijn kerkorgellessen. Dan heb je niet een hele fijne popsound. Op mijn achttiende heb ik, tot grote spijt van mijn ouders, dit orgel daarom laten inruilen voor een een splinternieuwe Yamaha electone ME-50 met vette basgeluiden en allerlei drumritmes. Ik heb hem hier altijd nog in de studio staan. Op de middelbare school kwam ik Nyk de Vries tegen, mijn huidige gitarist. Via hem kwam ik in contact met de Hobbyrockers, een stel Friezen in Groningen die moeilijk stil konden zitten. Zo zaten ze met zijn allen in twee bands en een Super-8-filmcollectief en hadden ze een eigen stichting, platenlabel en blaadje. Bovendien vormden de heren met radio The Nightrider, een geheime zender die iedere zondagavond tussen 20.00 uur en 4.00 uur allerlei illegale klanken de ether instuurde. Kees de Vries, voorzitter van Stichting Hobbyrock, vroeg me om elke week een column voor te lezen. Die columns vormden later de basis voor mijn debuutroman ‘Dammen met ome Hajo’. Ik gaf een demobandje met mijn nummers aan Kees en toen was al snel The Negroes geboren, een trio met Kees en Jan Pier Brands, de secretaris van de Stichting Hobbyrock. De bandnaam werd gewijzigd in Meindert Talma & The Negroes, toen ze een paar maanden later, zonder mij daarvan op de hoogte te stellen, onder mijn naam een vinylsingle op hun platenlabel uitbrachten met daarop drie liedjes van mijn demobandje."
DENKEN In augustus ’94 studeerde ik af. Pas in maart 2000 had ik mijn eerste baantje. Dat moest ook wel. Ik werd gekort op mijn uitkering, omdat ik te weinig brieven schreef. Van de kant van mijn ouders kwam wel tegenstand tegen het idee dat ik muzikant wilde worden. Vanuit hun ogen gezien misschien ook wel terecht. Ze hadden een deel van mijn studie gefinancierd en ze wilden toch graag dat hun kind goed terecht kwam. Ze waren ontzettend verbaasd toen ik er mee naar buiten kwam dat ik muzikant wilde worden. Het eerste echte bewijs daarvoor was die eerste vinylsingle in ’95. Mijn ouders vonden de muziek op de single godslasterlijk. Er stond namelijk een nummer op over de Muzikale Fruitmand, het programma van de EO. Ze vonden dat ik dat niet op een goede, serieuze manier presenteerde. Eigenlijk ben ik ins blaue hinein begonnen. Ik ben steeds beter gaan zingen, maar in het begin was het zo nu en dan aardig vals. Je deed het gewoon, het maakte niet uit. Ik vond het fijn eigen nummers te zingen en te spelen. Je hebt dan zelf ook niet echt door of wat je doet nou goed is of niet. Ook al hoort dat ook een beetje bij de muziek die ik maak. Maar de luisteraars die van easy listening houden, stonden soms wel met hun oren te flapperen. Ik heb het nooit zien zitten om een kantoorbaan te hebben. Ik heb nog wel hier en daar wat halfslachtige pogingen gedaan. Joop Atsma, het Tweede Kamerlid voor het CDA, was midden jaren negentig nog de man die De Feanster, huis-aan-huis-krant voor Surhuisterveen en omstreken, helemaal volschreef. Joop wilde me wel een beetje op gang helpen. Ik ben zo een paar keer naar een gemeenteraadsvergadering van Achtkarspelen geweest. Maar dat vond ik helemaal niks. Ik doe het liefst mijn eigen ding."
GELOVEN De personen uit de bijbel waren mystieke figuren. Als mijn moeder voorlas - mijn vader bad altijd - dan zei ik elke keer: ‘Net ophâlde, mem moat trochlêze!’ Het waren mooie, spannende verhalen. Toen wist ik niet beter dan dat God er altijd was. De bijbelse figuren waren een soort van ooms voor mij. Die broederstrijd tussen Esau en Jakob, en tussen Kaïn en Abel, vond ik fascinerend. Het voelde echt en rauw. Het goed en kwaad droop eraf. De tweestrijd tussen David en Saul vond ik nog het mooist. Eerst zijn ze vrienden en later worden ze elkaars vijanden. Ik voelde me later niet besodemieterd. Het geloof an sich... ik heb nooit een goddelijke vonk meegemaakt, een besef dat God naar me luisterde. Heel vaak deed ik als jongetje een gebed. En steeds vaker dacht ik: ik zit hier wel te bidden, maar of iemand naar me luistert vraag ik me af. Hetzelfde zag je ook bij al mijn gelovige vrienden. Van die generatie gaat bijna niemand nog naar de kerk. Binnen één generatie een hele geloofsgemeenschap naar de filistijnen. Het schuldbesef, het idee dat iemand over je schouder meekijkt, dat heb ik wel lang nog gehad. Het blijft ook altijd een beetje een worsteling: of het niet tóch zo is, of er wel een hiernamaals is. Maar het houdt mij niet echt bezig. Misschien komt dat nog. Mijn ouders gaan nog steeds naar de kerk. Mijn vader is voorzitter van de kerkenraad. Zij geloven wel, dat heb ik tenminste begrepen uit hun verhalen. Zij hebben er niet echt twijfels over hoe de vork in de steel zit. Ik denk dat zij het ook wel erg vinden dat hun zoon en dochter niet meer kerkelijk zijn. Maar zij zien ook wel dat er in hun kerk een geweldige vergrijzing gaande is."
GENIETEN Muziek blijft toch mijn grootste passie. Ik ben iemand die elke week cd's leent bij de Centrale Muziekbibliotheek van Nederland. Daar hebben ze heel veel obscure pareltjes. Als jongetje las ik altijd in OOR’s popencyclopedie over bandjes, en was ik benieuwd hoe de muziek zou klinken. Nu kan ik die bands zelf ontdekken, vooral veel psychedelische muziek uit de eind zestiger jaren en de krautrock van begin jaren zeventig en In feite was popmuziek in die tijd een heel vluchtig medium. Muzikanten gaan tegenwoordig vaak door, maar vroeger had je maar een paar jaar de tijd om jezelf te bewijzen. Alle Sturm und Drang kwam daardoor in een paar platen te zitten. Dat blijft fascinerend. Ook blijft het fascinerend hoe het ineens weer kan ophouden met een band. Sommige mensen maken maar een paar jaar zeer mooie muziek. Ik was onlangs bij een concert van Stevie Wonder. In de jaren zeventig maakt hij hele mooie muziek, maar de drie decennia daarna was het een beetje behelpen. Je vraagt je af hoe dat toch komt. Hij heeft nog steeds een geweldige stem, nog steeds een geweldige band, maar kennelijk heeft hij die inspiratie niet meer. Ik heb zelf het idee dat ik daar niet bang voor hoef te zijn. Maar om dat over jezelf te zeggen - dat moeten anderen doen. Mijn platenbaas zei het ook laatst; je krijgt bijna een oeuvre. Maar voor mij is dat niet zo belangrijk. Het mooiste is het om een nieuwe plaat te maken. Een live-optreden is mooi, maar een nieuwe geluidsdrager blijft het mooist. Ik luister zeer veel naar mijn platen als ze in de maak zijn, maar later niet. Ik ken geen grote tevredenheid. Ik heb vooral veel zin nieuwe dingen te maken. Elke tijd heeft zijn eigen energie. Na elke plaat ga je verder. Het is een dagboek waarmee je altijd doorgaat." |
|