Leave Stumper is een treffende titel voor een Talma-album: 'Lieve Stumper'
(maar dan met een noordelijke tongval). Met veel mededogen zingt Meindert
Talma over de stumper, de schlemiel, de sukkel, de 'marginaal', die niet
zelden hij zelf is. Daarbij is zijn intonatie, zijn dictie, merkwaardig tegendraads.
Van bovenstaande regels zingt hij de vierde en vijfde bijvoorbeeld als: 'dan
pak ik mijn seksboekje dat ik verstopt heb in mijn bureau
/ en trek ik mijn spijkerbroek aan
en dan ga ik liggen op mijn
bed'. (In plaats van het meer voor de hand liggende: '(...) seksboekje
dat ik verstopt heb in mijn bureau
/ en trek ik mijn spijkerbroek
aan en dan ga ik liggen op mijnbed'.) En het is niet zozeer
dat hij deze lettergrepen werkelijk beklemtoont – hij houdt ze eerder wat
langer vast, en zijn stem gaat even de diepte in. Ook laat hij zich weinig
gelegen liggen aan het aantal lettergrepen,
of het wel 'uitkomt'; regels zijn niet snel te lang bij Meindert Talma –
zonder ook maar te versnellen zingt hij gewoon onverstoorbaar door. Dit
werkt komisch en licht bevreemdend.
De meeste nummers hebben een melancholieke of weemoedige toon en sfeer, maar
er zijn ook meer up tempo songs,
juichend en euforisch, en dromerige, intieme liedjes.
Nu
beleeft Meindert Talma zijn debuut als dichter: Laat
het orgel jammeren luidt de
titel van zijn bundel.
Talma's
poëzie verschilt niet wezenlijk van zijn liedteksten – dat zóú je een
tekortkoming kunnen noemen, maar dat is het in dit geval niet. De
liedteksten van Meindert Talma zijn immers erg sterk, en ook wanneer hijdicht probeert
hij geen 'Poëzie' te schrijven: hij gebruikt geen verheven, fraaie,
ingewikkelde taal, en ook nauwelijks stijlfiguren – de dichterlijke
'trucendoos' blijft goeddeels gesloten.
Eigenlijk, zo stel ik me voor, dicht Meindert Talma zoals hij spreekt –
nuchter, onopgesmukt, droog, laconiek, zoals een noorderling. Hij is wars
van mooischrijverij en moeilijk- of dikdoenerij. Wat stug, maar tussen de
regels door gevoelvol. Veel gedichten zijn doortrokken van nostalgie, maar
ook hier geldt: zij wordt nergens uitgesproken,
er wordt zelfs nauwelijks op gezinspeeld. Talma is een meester in het
neerzetten van een sfeer, vaak weemoedig, soms wat morsig, groezelig, zijn
'personages' zijn (sociaal) onhandige of gemankeerde, triestige figuren – zó
(sociaal) onhandig of gemankeerd en triestig dat het weer aandoenlijk en
amusant wordt.
Collega
Chrétien Breukers formuleerde het adequaat in zijn rubriek 'Het eerste
gedicht', waarin hij onlangs het openingsgedicht van Laat
het orgel jammeren besprak:
'Het is
gesteld in een wat norsige taal, die grommelt en grauwt. Precies zoals
mensen op het platteland spraken. Je hoeft niet alles uit te leggen, hallo
zeg. Dat is meer iets voor Hollanders of mensen met stadse fratsen. Die
praten graag. Wij houden het hier gewoon gemoedelijk. (...)
(...)
Het
woord "ook" in de tweede regel vind ik persoonlijk nogal lelijk, net als het
enjambement van regel 2 naar 3. Maar misschien is de term "mooi" niet
toepasselijk bij deze poëzie. Die is niet mooi. Die is ook niet lelijk. Die
is gewoon. Die gaat zijn eigen, slungelige gang. Dit is poëzie die in geen
enkel hokje past, zelfs niet in het hokje "anekdotische" poëzie of
"performance-poëzie". Wat is het dan wel? Het maakt, vermoed ik, niet veel
uit. Daarom gebruikt Talma in regel 5 voor de tweede keer achter elkaar het
woord "had" en gaat hij in regel 6 en 7 net even tegen het ritme in.'
Inderdaad is deze poëzie niet direct vast te pinnen. Misschien komt
tegendraadse poëzie in een parlandostijl nog het dichtst in de buurt.
Sommige
gedichten lijken sprekend liedteksten, in een enkel geval compleet met een
betrekkelijk simpel gepaard rijm, en in meerdere gevallen met een refrein ('De
stadskabouter', 'Breingolf gestuurde
spraakvervormer', 'Hottenoije duveltje Teake
Riemersma'). Het zou me niet verbazen als Meindert Talma de
muziek al in zijn hoofd had bij het schrijven van deze gedichten.
Een
ander gedicht ('Overval') heeft de opbouw van een
sketch of grap, en steunt sterk op de clou.
En wéér
een ander gedicht, 'Voetballers met baarden en snorren',
heeft het karakter van een column. Hiervan citeer ik opening en slotstrofe:
Jammer dat er in de voetballerij
nog maar zo weinig voetballers
met baarden en snorren zijn.
Al die lulletjes rozenwater
met haarbanden, handschoenen
en gouden balletschoentjes van tegenwoordig.
Een baard staat voor mannelijkheid,
standvastigheid, eigenzinnigheid,
doorzettingsvermogen en brute kracht.
(...)
Met het verdwijnen van de snorren en baarden
zijn ook de echte kerels
uit de voetballerij verdwenen.
Misschien steekt Meindert Talma
hier wel de draak met het fenomeen van de
'vroeger-was-alles-beter'-nostalgie. De strekking is niet: vroeger was alles
beter, omdat er toen (bijvoorbeeld) nog sociale cohesie was, beleefdheid,
respect voor ouderen en oom agent, minder geweld op straat, verharding,
verruwing, doodslag, porno, comazuipen – nee, hij zegt: vroeger hadden
voetballers tenminste nog snorren en baarden, dát waren nog eens tijden.
En
misschien neemt Talma dit soort nostalgie ook wel helemaal níet op de
korrel, en is het hem bittere ernst. Dat is het mooie van zijn droge manier
van 'vertellen': je weet nooit of hij maar wat ouwehoert of een persoonlijke
bekentenis doet, iets te berde brengt wat hem écht dwarszit.
Maar
zeg nou zelf: zo'n Ronaldinho, zo'n verwijfd type, met zijn babygladde
huidje, zijn haarband, zijn zilver-gouden pantoffels, zijn maillots én zijn
wollen handschoenen zodra het kwik onder de tien graden Celsius daalt – je
zou hem toch ook een rotschop geven?
Voorts
zijn er nog de absurdistische gedichten, die mij doen denken aan het
onderschrift (weliswaar een vrij uitgebreid onderschrift)
van een cartoon of korte strip (een plaatje of vier). Zoals het Gummbaheske,
weergaloze 'Hij keek haar niet aan':
In haar woonkamer
rook het naar kattenstront
en gekookte aardappels.
Hij voelde zich een gast
aan het begin van een feestje
waar niemand zich echt prettig voelt.
Ze zei dat ze
altijd had gefantaseerd
over een man die hield van poezen
en de dierlijke blik
bezat van Klaus Kinski
maar dan zonder leren helm.
Hij zei dat hij
niet voor de poes was
maar hij keek haar niet aan.
Al het vocht verdween
uit zijn mond toen hij terloops
een hand op haar dij legde.
Niet doen zei ze.
Eerste strofe (eerste plaatje,
stel ik me zo voor): de setting is morsig, ons 'personage' voelt zich
duidelijk niet op zijn gemak.
Tweede
strofe (plaatje): de 'conversatie' neemt een absurdistische wending.
Derde
strofe (plaatje): onze antiheld doet, ondanks zijn gierende zenuwen en zijn
gortdroge mond, toch een poging tot toenadering, tot fysiek contact.
Vierde
strofe (plaatje): Pets! Hij
krijgt het deksel op zijn neus. Hij was nog niet goed en wel begonnen, of
zijn piepkleine aspiraties worden keihard in de kiem gesmoord, de grond
ingeboord. Het eindigt desolaat en troosteloos, in- en intriest,
vreugdeloos, twee zielige figuren die zelfs bij elkaar geen warmte of ook
maar een zweem van genegenheid kunnen vinden. De ellende die ervan afdruipt
is zo dof en diep, dat de lezer een lach nauwelijks kan onderdrukken.
Hier
vind ik Meindert Talma op zijn best: hij zet een sfeer neer (vaak triestig),
het gedicht neemt een absurdistische wending, en eindigt wrang en grappig –
met een staaltje zwarte humor.
Hoewel
Talma's gedichten erg spreektalig zijn (met woorden als 'nogal', 'zo'n',
'een beetje', enzovoort), bevatten ze, bijna onverwacht, veel prachtige, poëtische regels,
die er te meer uitspringen daar ze zijn ingebed in een parlando 'omgeving'.
Of hij
maakt een keer, functioneel maar terloops, wél gebruik van een stijlmiddel.
Zoals de herhaling in de volgende regels:
(...)
Zo nu en dan drukte ik op de terugspoelknop.
Ik hield van het geluid van de terugspoelknop.
('Te
laat')
Het is
alsof hij het woord dat hij zojuist heeft uitgesproken, nog proeft op de
tong, terugspoelt, en nog eens afspeelt. Zo representeert het
herhalen van het woord 'terugspoelknop', de klank van het woord, het
terugspoelen zélf. Het lijkt alsof hij geniet van
het nogmaals uitspreken van het woord, alsof dit de handeling bij hem in
herinnering roept.
Ik wil
besluiten met het gedicht 'Lytse Durk', dat ook
druipt van weemoed en ellende, maar waarin ook (en die mengeling is volgens
mij het handelsmerk van Meindert Talma) mededogen en sympathie doorklinken.
Vooral de laatste strofe is sterk, en zelfs (bijna) aangrijpend in
meelijwekkendheid:
Begin van weer een dag
voor Luytse Durk.
Zijn tanden klapperen
tegen het wijnkristal.
Lichtende woorden
verschijnen op de muur:
Vanaf die dag nam het
lijden geen einde meer.
In de winkel
heeft Lytse Durk
die onlangs weduwnaar werd
een zwarte kerstmanmuts op.
Een bejaarde dame komt binnen
met een kapotte kerstboom.
Verkondigt verontwaardigd
dat er verkeerde batterijen in zitten.
Weer thuis zet Lytse Durk
zich achter de tafel.
Schrijft een brief
aan zijn zoon.
Leest het boek uit
van Jan van Oudshoorn.
Maakt een onsmakelijke
maaltijd klaar.