01-vlakje-pers.jpg (906 bytes)

Nederlands Dagblad

Recensie 'Nu geloof ik wat er in de bijbel staat'

Godsdienstwaanzin in een verlaten Friese kapel

'23 februari 2007
Niels Dolieslager

De Fries/Groningse Meindert Talma & the Negroes namen hun nieuwe album op in een voormalige Hernhutterskapel, waarin van 1977 tot 1997 nog diensten werden gehouden. Voor een lege kerk, wel te verstaan. Jan Overdijk, de toen laatste overlevende van de ooit bloeiende gemeente te Luchtenveld tussen Houtigehage en Drachtstercompagnie, luidde iedere week de klok en begeleidde zichzelf op het aanwezige harmonium. Zijn vader was de gemeente begonnen in 1927. Het is allemaal te lezen in het bij het album gevoegde boekje.

Eveneens uit 1927 stammen de oudste opnames in de Anthology of American Folk Music, samengesteld door Harry Smith. In februari 2005 organiseerde Paradiso een Harry Smith-festival. De voormalige kerkorganist Talma zong daar liedjes uit de anthologie in het Nederlands. Nu vormen die liedjes samen met korte inleidingen, begeleid door kerkmelodieën, het nieuwe album. Het album bevat een lp, een boekje, een viltje en een cd in een gezeefdrukte hoes. Er zijn maar 1000 exemplaren.

Oude Amerikaanse blues in het Nederlands zingen, wordt dat lachwekkend of levert het ook iets op? Het ligt eraan wie het doet, blijkt nu. Bij Talma blijft het ondanks al het hoorbare enthousiasme rauw en soms zelfs angstaanjagend, de stijl eigen. De lo-fi productie en de instrumentatie – onder andere harmonium, banjo, contrabas en grote trom – helpen daar wel bij. De brutale arrangementen doen denken aan Tom Waits en de zang aan Nick Cave, maar dan lichter en minder toonvast. Dat Talma geen erg goede zanger is doet niet veel af aan het totaal maar de geluidskwaliteit is wel storend; de lelijke korte akoestiek van de kapel is goed te horen en het totaalgeluid is platgecomprimeerd. Ik vind het jammer, op zijn hoogtepunten had dit album in de buurt kunnen komen van "The American Recordings II-V" van Johnny Cash.

Net als bij Cash weerspiegelen deze liedjes de gekte van het oude Amerika. Het eerste nummer "Charles Guiteau" begint met godsdienstwaanzin; het gaat over de moordenaar van president Garfield, hij meende dat hij Gods wil uitvoerde. "Hoe had ik ooit kunnen denken in mijn jeugdige gloed/dat ik geleid zou worden naar ‘t gedoemde schavot". "De beul staat te wachten/het is kwart over drie/de zwarte kap over mijn hoofd/ik kan niets meer zien." Het hele liedje lang klinkt een doordringend monotoon banjoritme, als getrommel bij de galg. "John the Revelator (Apostel Johannes)" is een hysterische gospel. "I wish I was a mole in the ground (Oh was ik maar een mol onder de grond)" laat zien dat de blues vooral een manier was om met uitzichtloosheid om te gaan. De prachtige "Prison Cell Blues (Gevangeniscel Blues)" gaat over een man die door zijn liefje in de gevangenis zit en haar ook nog mist. De eentonige begeleiding die de verveling weergeeft vormt een mooi contrast met de abnormale manier van zingen van iemand die gek wordt van zich steeds herhalende gedachten. Het ingetogen "Dry Bones (Droge Beenderen)" is een schitterend geslaagde gospel in een sober arrangement, dat steeds openbreekt bij het refrein waarin gezongen wordt "ik zag, ik zag het licht uit de hemel schijnen/ik zag, ik zag het licht neerdalen/ik zag het licht verschijnen." "Single Girl, Married Girl (Vrijgezel Meisje)" slaat de plank mis. Oorspronkelijk spot het liedje met jong getrouwde vrouwen maar hier wordt het een weinig zeggend deuntje. "John Henry" gaat over een spoorwegwerker die beweerde dat hij met hamers en staken sneller tunnels kon aanleggen dan een stoomdrilboor. Hij ging een wedstrijd aan met het nieuwe apparaat en won, maar de arme sukkel overleed door uitputting. De ritmesectie hamert er als bezeten op los. "Stackalee", over de man die zo slecht was dat de duivel hem niet wilde hebben, hoort natuurlijk op deze plaat maar is helaas erg mak. "See that my grave is kept clean (Hou alsjeblieft mijn graf schoon)" is een sombere maar waardige afsluiter met een dodenmarsritme. (Op youtube.com is een passende videoclip te zien.) Het gaat over een man die bij zijn naderende dood gaat geloven. De schrijver van het liedje, Blind Lemon Jefferson, is net als Jan Overdijk eenzaam, verwaarloosd en in armoede overleden. Jefferson is zelfs op straat doodgevroren. Het laatste couplet luidt: "heb je ooit de kerkklokken horen luiden/al weer een arme ziel dood en vergaan/mijn hart stopte met kloppen en mijn handen werden koud/nu geloof ik wat er in de bijbel staat."

Het is bijzonder te ervaren dat de rare onderwerpen door de vertaling, de opname, de arrangementen en de verhaaltjes tussendoor veel dichterbij komen dan bij de oorspronkelijke uitvoeringen. De plaat is goed ontvangen en deze oude liedjes over geloof moeten in vele huiskamers van niet-christenen geklonken hebben, tijdens kerst. Hartverwarmend zijn ze niet te noemen en het getuigt van lef (en een beetje waanzin?) zo’n product af te leveren.

Terug naar
pers-overzicht